random header

Zorgen voor elkaar
Dit wil de PvdA-PK!

112. Gebruik maken van mobiliteitscentra om degenen die zonder werk zijn of raken, naar ander werk of opleiding te begeleiden. Uitgangspunt is vanuit aansluiting bij de interesses en vaardigheden van de werkzoekende toekomstperspectief te bieden.

113. Een zorgzaam beleid t.a.v. de sociale werkvoorziening, zodat deze werkgelegenheid zijn functie en bestaansrecht houdt. Daarnaast moet in aansluiting op interesses en vaardigheden van de cliënt doorgroei mogelijk zijn. De gemeente ziet er op toe dat beide functies in de sociale werkvoorziening geborgd zijn.

114. De gemeente voert zelf ( als werkgever) een actief beleid in het bieden van werkmogelijkheden van mensen met een mindere kans op de arbeidsmarkt, zoals mensen met een beperking, nieuwe Nederlanders, vrouwen en ouderen.

115. Voor oudere bijstandsgerechtigden biedt de gemeente mogelijkheden voor sociale activering (bijv. vrijwilligerswerk ) en waar nodig gesubsidieerde arbeid en/of schuldhulpverlening.

116. Wie kan werken moet ook werken. Wie een uitkering ontvangt, dient mee te werken aan scholing of re-integratie.

117. Er is één loket voor zorg, welzijn en ondersteuning waar de cliënt tegemoet getreden wordt met begrip en vertrouwen en samen met de cliënt naar een totaaloplossing van de problemen gezocht wordt.

118. Er is een ruimhartig en eenvoudig beleid t.a.v. wettelijk toegestane kwijtscheldingen, zoals gemeentelijke belastingen en heffingen.

119. Er is actieve voorlichting over inkomensondersteuning, huurtoeslag en bijstand ter voorkoming van niet-gebruik.

120. De gemeente stimuleert en faciliteert cliëntenparticipatie. Dit wordt in de nieuwe raadsperiode actief in beleid opgenomen. Benadering, informatie, inspraak en ondersteuning van de cliëntenraad/WMO-raad moet geborgd zijn.

121. Er vindt controle en handhaving plaats m.b.t. gebruik van sociale voorzieningen, en misbruik wordt bestraft.

122. De gemeente neemt, samen met het maatschappelijk middenveld, initiatieven om sociaal nuttige werkplekken te creëren.

123. Op basis van continue klanttevredenheidsmeting worden beleid en uitvoering geëvalueerd en waar nodig bijgesteld.

124. Onderzoek wijst uit dat mensen met een minder inkomen nog steeds een slechtere gezondheid hebben. Wij pleiten dan ook voor gedegen preventief gezondheidsbeleid en uitvoering van preventieve acties en stimuleringsprogramma’s gericht op het stimuleren van gezonde leefstijlen.

125. Een Integrale, maar stapsgewijze, uitvoering van Agenda 22, namelijk zorgen voor toegankelijkheid, altijd en overal. Een in te stellen stuurgroep adviseert en bepaalt mede de prioritering van te nemen maatregelen.

126. We werken mee en ondersteunen de volledige toegankelijkheid van publieke gebouwen en diensten, maar ook in de commerciële sector (bijv. horeca en winkels). De toegankelijkheid van het gemeentehuis wordt getoetst en waar nodig verbeterd.

127. Alle nieuwbouwplannen worden voor vergunningverlening dan ook getoetst aan toegankelijkheid (dwingend). Particuliere verbouwplannen worden hierop ook getoetst en middels voorlichting en advisering gestimuleerd tot aanpassingen.

128. Met het oog op stijgende uitgaven zijn wij zijn voorstander van een integrale beschouwing van de individuele voorzieningen vanuit de WMO, met als inzet dat adequate voorzieningen voor hen die het nodig hebben voor langere tijd verzekerd zijn.

129. Het indicatiebeleid moet zorgvuldig en als maatwerk worden uitgevoerd.

130. Het is onze ambitie inwoners van het nieuwe Horst aan de Maas die daartoe geïndiceerd zijn, zonder belemmering te kunnen laten kiezen voor een scootmobiel met een maximum snelheid van 12 i.p.v. 8 kilometer. In onze uitgestrekte plattelandsomgeving is dat een goede compensatie voor verplaatsing met de fiets of te voet, bijvoorbeeld om te winkelen, een kantoor of instantie te bezoeken. Een scootmobiel heeft, naast sociale participatie, ook een recreatieve (participatie) functie.

131. De zelfstandigheid en zelfredzaamheid van mensen met een beperking wordt mede mogelijk gemaakt door de toekenning van het persoonsgebonden budget. De kwaliteit van deze door betrokkenen zelf gestuurde zorg mag niet onder druk komen te staan door toenemende bureaucratisering.

132. Verder wordt ingezet beleid op mantelzorg en respijtzorg gemeentebreed geïmplementeerd en budgetten gereserveerd. Mantelzorg staat immers in onze veranderende samenleving vanwege mobiliteit en arbeidsparticipatie onder druk. Respijtzorg biedt ondersteuning aan mantelzorgers doordat de zorg tijdelijk wordt overgenomen.

133. De gemeente ontwikkelt op korte termijn een visie op haar beleid t.a.v. ouderen, wonen en zorg. De gemeente stelt hierbij de hulp- en ondersteuningsvraag van de cliënt centraal en kiest voor zorgaanbieders die de beste zorg aanbieden en die kleinschalig en op locatie beschikbaar zijn (decentraal geclusterde zorgondersteuning).

134. De gemeente organiseert een onafhankelijke instantie ter behandeling van klachten over zorgaanbieders.

135. De gemeente geeft opdracht de eenzaamheid van ouderen in de gemeente te onderzoeken en zorgt voor vervolgmaatregelen en voorzieningen in haar lokaal sociaal beleid.

136. De gemeente sluit aan bij de ontwikkeling Integrale Dagvoorzieningen Ouderen die in de regio al in wording is. Het gaat hier om het realiseren van een dekkend aanbod van dagvoorzieningen voor ouderen, op het snijpunt van de WMO en de AWBZ, waarbij talrijke partners uit de regio betrokken zijn en waarbij de gemeente faciliterend en stimulerend optreedt. Inzet is het bieden van zingeving, zinvolle vrijetijdsbesteding, gelegenheid tot ontmoeting en contact, participatie, eetpunten, voorkoming van eenzaamheid en isolement en vermindering van het appèl op de mantelzorg. Dit biedt naar ons idee tevens kansen voor versterking van leefbaarheidvoorzieningen zoals gemeenschapsaccommodaties etc. De gemeente sluit hiertoe convenanten met de andere belangrijkste financiers zoals zorgverzekeraars en het zorgkantoor. Professionele welzijnsorganisaties dienen als vangnet binnen deze zelfzorg voorzieningsstructuur.

137. Wonen en welzijn gaan vóór zorg, en er wordt vraaggericht in plaats van aanbodgericht gewerkt.

138. Uitgangspunt is dat gebiedsgericht wordt gewerkt, waarbij aangesloten wordt bij bestaande voorzieningen in de diverse dorpen en witte vlekken en overlap worden voorkomen. Naast de noodzakelijke centrale zorgvoorzieningen in de grotere kernen streven we naar realisatie van Wonen-Welzijn-Zorgvoorzieningen op maat in de kleinere kernen. Het bovenstaande beleid richt zich vooral op het wegnemen van belemmeringen voor mensen met een beperking. Echter, de nieuwe oudere generatie die zich aandient kenmerkt zich vooral ook als minder (financieel) afhankelijk, mondiger, vitaler met daarnaast de beschikbaarheid over meer vrije tijd, meer kennis en vaardigheden etc. Binnen deze groep ouderen liggen kansen voor meer sociale participatie, niet beredeneerd vanuit de beperking maar vanuit de mogelijkheden. In de op te stellen gemeentelijke visie op het ouderenbeleid dient met dit gegeven nadrukkelijk rekening te worden gehouden, ook hier is meedoen aan de orde. Het scheppen van goede randvoorwaarden, het stimuleren en waarderen van vernieuwende initiatieven kan
bijdragen aan het bevorderen van het zelfregisserend vermogen van de individuele burger en de samenleving, ook dát is de WMO.

139. Jonge kinderen die dat nodig hebben, kunnen gebruik maken van voorschoolse activiteiten met aandacht voor taalontwikkeling en sociale vaardigheden. Mede hiertoe wordt de samenwerking tussen kinderopvang, peuterspeelzalen en basisonderwijs verder gestimuleerd.

140. Het primair onderwijs kent als belangrijkste uitgangspunten de keuzevrijheid van ouders, de kwaliteit van het onderwijs en stelt het kind centraal.

141. Een laagdrempelige jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau´s) biedt de beste mogelijkheden om ouders en kinderen vanaf dag één te laten meedoen.

142. Elke basisschool en school voor voortgezet onderwijs heeft een zorg- en adviesteam dat gesignaleerde problemen tijdig bespreekt en indien nodig hulp in gang zet.

143. In 2011 is in de gemeente een adequate samenwerkingsstructuur als “centrum voor jeugd en gezin” in werking. Deze voorziet in laagdrempelige hulp en ondersteuning op maat voor ouders, kinderen, maar ook hulpverleners en leerkrachten.

144. Jongeren ontwikkelen zich en hebben daartoe de ruimte nodig. Van kleuter tot tiener moeten we zorg dragen voor een kind- en jongerenvriendelijke openbare ruimte. Omdat dit zeker niet vanzelfsprekend blijkt te zijn wordt in bestemmings- en inrichtingsplannen dan ook een “jeugdtoets” opgenomen.

145. Jongeren moeten mogelijkheden geboden worden voor het beleven van eigen pop- en jeugdcultuur, desgewenst naast de reguliere mogelijkheden in verenigingsverband voor sport muziek en cultuur.

146. Er zijn mogelijkheden voor ondersteuning van lokale jeugdactiviteiten, bijvoorbeeld sozen, met mogelijkheden voor het ontwikkelen van nieuwe initiatieven als de “oude“ niet meer werken.

147. We maken samen met jongeren en hun ouders werk van het “Ketenkeurmerk”, een veiligheidscertificaat met gedragsregels voor jongerenketen op particulier terrein.

148. Er moet een integraal beleid gevoerd worden ter voorkoming van gebrek aan beweging, bovenmatig alcoholgebruik, drugsgebruik, discriminatie en pestgedrag

149. De gemeente zelf moet draagvlak voor jeugdbeleid creëren door blijvend bij de jeugdigen zelf te rade te gaan en goed te luisteren, middelen daartoe zijn in de lokale jongerenwebsite Dreksbak, het jeugdpanel met jongeren van Dendron en Citaverde en de zich ontwikkelende groep Jongerenambassadeurs (Jamba’s), ook andere initiatieven zijn wat ons betreft denkbaar.

150. Jongeren tot 27 jaar hebben niet langer recht op een bijstandsuitkering, maar worden toegeleid naar scholing en/of arbeid. De gemeente zelf geeft het goede voorbeeld door het aanbieden van stage- en leerwerk plaatsen, maar stimuleert ook het lokale bedrijfsleven om dit voorbeeld te volgen.

151. Onderzoek naar lidsubsidie voor deelname aan verenigingen door jongeren tot 21 jaar.

152. Gemeentebrede invoering van “Muziek in de klas“ binnen het primair onderwijs.

153. Stimuleren / ondersteunen en mee – financieren van het sport – kunst – en cultuuraanbod binnen het primaire- en voortgezet onderwijs.

154. Subsidieverlening aan jongeren tot 21 jaar voor deelname aan muzikale-, kunstzinnige- en culturele vorming (bijvoorbeeld bij het cursusaanbod van het Kunstencentrum).

155. Via de SCEA–regeling stimuleren we dat kinderen uit (minima) gezinnen mee kunnen blijven doen aan bovengenoemde vormen van algemene vorming, waarmee de (financiële) toegankelijkheid van dit soort voorzieningen wordt geborgd.